Marseille: hippe havenstad met weerhaakjes

Marseille surft op een golf van vernieuwing. Hoog tijd dus om de Zuid-Franse metropool te gaan (her)ontdekken. Laat je daarbij meevoeren door de roman Transit van de Duitse Anna Seghers (1900-1983) en herbeleef op de koop toe een bewogen episode uit de geschiedenis van de havenstad.

In Marseille leiden alle wegen naar de Oude Haven. Aan de ene kant van de wandelpromenade langs de kaaien ligt de Middellandse Zee blauw te schitteren achter aangemeerde zeilboten en visserssloepen, aan de overzijde lonken talloze restaurants, brasserieën en cafés – Marseille is de bakermat van zowel pastis als bouillabaisse!

In het kielzog van de verteller van Transit gaat het er op gastronomisch gebied wel iets bescheidener aan toe: de jonge man nodigt je uit voor een glas rosé en een stuk pizza, want voor een echte maaltijd heeft hij het geld niet. We schrijven het voorjaar van 1941. Hij is een zevenentwintigjarige vluchteling uit Duitsland. Waarom hij je aanklampt? Hij wil een keer van a tot z vertellen hoe hij enkele maanden eerder in Marseille belandde, er in de ban geraakte van Marie en op het nippertje aan de dood ontsnapte.

Ga tegenover hem zitten aan het tafeltje in de pizzeria, zo zie je de zon ondergaan achter Fort Saint-Nicolas. Dit verdedigingsfort werd samen met Fort Saint-Jean onder koning Lodewijk XIV gebouwd om de toegang tot de Oude Haven te bewaken. Duik verder in het romanheden en zoom in op de pont transbordeur, de vijftig meter hoge ijzeren brug, die twee enorme pylonen aan weerszijden van het havenbekken verbindt. Volg de brede gondel die aan stalen kabels onder de brug hangt en zowel vracht als personen zwevend boven het water heen en weer brengt. (in 1944 werd deze zweefbrug vernield)

Rusteloos rondzwerven

Zo ongedwongen als het er nu aan toegaat aan de Vieux Port, zo gespannen was de sfeer er vanaf de herfst van 1940. De ellende was begonnen in juni, toen de nazi’s Parijs onder de voet liepen. Vele joden, maar ook Duitse en Oostenrijkse tegenstanders van Hitlers regime hadden namelijk al vanaf 1933 hun toevlucht in Frankrijk gezocht en liepen nu dus opnieuw gevaar.

Ook Fransen die stelling namen tegen het nazibeleid waren in eigen land niet meer veilig. Na de val van Parijs kwam er dan ook een stroom van vluchtelingen op gang naar het onbezette zuiden. De meesten van hen hoopten in Marseille nog te kunnen inschepen en zo voorgoed aan de Duitsers te ontkomen.

De verteller is echter aan land gebleven en heeft onderdak gevonden in een dorp niet ver van de kust, in een uitloper van de bergen. ‘De Oude Haven was blauw,’ zo begint hij argeloos een herinnering op te halen aan de voorbije maanden waarin ook hij rusteloos rondzwierf rond de Vieux Port.

U kent dat heldere middaglicht wel dat kil in alle uithoeken van de wereld schijnt, die allemaal even troosteloos zijn. Aan mijn lange tafel zat een dikke vrouw met een enorm kapsel. Ze at een ongelooflijke hoeveelheid oesters. Ze at van verdriet. Haar visum was definitief geweigerd, daarom at ze haar reisgeld op. Maar er was bijna niets anders te krijgen dan wijn en schelpdieren. De middag vorderde. De consulaten gingen dicht. Brûleurs des Loups en andere gelegenheden werden nu overspoeld door de door angst gekwelde transitreizigers. De lucht was vol van hun dwaze gezwets, die onzinnige mengeling van ingewikkelde adviezen en totale radeloosheid. Het schaarse licht van de verschillende aanlegsteigers viel op het donkerder wordende oppervlak van de Oude Haven. Ik legde mijn geld op tafel omdat ik naar Mont Vertoux wilde verkassen’. [in werkelijkheid heetten de cafés ‘Mont Ventoux’ en ‘Brûleur de Loups’]
— Anna Seghers, Transit, pag. 127

De verteller was in Marseille aangekomen met een koffer van zijn landgenoot Weidel, een dichter die in Parijs een dodelijke dosis vergif innam, toen de bruinhemden de Franse hoofdstad binnenmarcheerden.

Kanttekening: Weidel is gebaseerd op de uit Oostenrijk-Hongarije afkomstige joodse schrijver Ernst Weiß (1882-1940). Vanaf de machtsovername door Hitler in het Duitsland van 1933 leefde Ernst Weiß als balling in Parijs. Toen hij ook daar in 1940 werd ingehaald door de nazi’s, pleegde hij zelfmoord. Zijn ontwikkelingsroman De arme verkwister uit 1936 werd in 2012 door Van Gennep terug onder de aandacht gebracht.

In Weidels koffer zaten een onaf manuscript en een paar brieven, waaronder twee van zijn vrouw, Marie: in de ene laat ze hem weten dat ze hem nooit meer wil zien, in de andere smeekt ze hem naar Marseille te komen, dit omdat zijn visum en reisgeld er klaarliggen op het Mexicaanse consulaat, én omdat ook zij met zijn hulp weg kan komen. De officiële instanties hielden Weidel voor de schrijversnaam van de verteller, wat de jonge man zich graag liet aanleunen.

Door deze persoonsverwisseling begon zich het gerucht te verspreiden dat Weidel effectief in de stad was. Bijgevolg speurde Marie dag in dag uit de havencafés af naar haar echtgenoot, die tot haar wanhoop blijkbaar niet wílde gevonden worden. Dat de jonge Duitser regelmatig haar pad kruist, schrijft ze aan het toeval toe. Hij doet er intussen alles aan om haar voor zich te winnen, maar doordat Marie niet gelooft in Weidels dood, zal de spoorloze dichter tussen hen in blijven staan.

In Anna Seghers’ tragische liefdesgeschiedenis wordt tastbaar hoe de bureaucratische papiermolen vluchtelingen en emigranten veroordeelde tot bang afwachten in havencafés, op consulaten en hotelkamers. Allemaal werden ze altijd en overal gekweld door de angst om te worden gearresteerd wegens een ontbrekend of verlopen legitimatiebewijs. Zenuwslopende tijden waren het en toch sloeg ook geregeld lusteloze verveling toe.

Anna Seghers

Anna Seghers

Dat Anna Seghers die sfeer van vertwijfeling zo beklijvend beschrijft, hoeft niet te verrassen. Omwille van haar deels joodse achtergrond en haar communistische sympathieën was ze zelf uit Berlijn gevlucht. In de winter van 1940/1941 verbleef ze in Marseille. Terwijl haar echtgenoot een dertigtal kilometer verderop was geïnterneerd in het kamp Les Milles bij Aix-en-Provence, hokte zij met hun tienerzoon en -dochter in het groezelige hotel Aumage in de Rue du Relais, een doodlopend achterafsteegje achter de Cours Belsunce, de hoofdstraat van de quartier Belsunce.

 

Belsunce is nu een migrantenwijk op een steenworp van de Vieux Port en de Canebière. De Canebière is de bekendste straat van Marseille. Langs deze brede boulevard vond je tot de Tweede Wereldoorlog chique cafés, bioscopen, theaters en prestigieuze hotels. Nu staat het Palais de la Bourse er nog altijd statig te wezen, net als het tot C&A herbestemde Hôtel du Louvre et de la Paix, waarvan de façade intact is gebleven. In dit imposante hotel wachtten Alma Mahler-Werfel, de weduwe van Gustav Mahler, en haar echtgenoot, de schrijver Franz Werfel, destijds op een mogelijkheid om te vertrekken. Al hun hoop was gevestigd op Varian Fry, de spilfiguur van het CAS, het Centre Américain de Secours (Emergency Rescue Committee).

Villa Air-Bel

Varian Fry (1907-1967), een Amerikaans journalist en voormalig student aan Harvard, daalt in augustus 1940 stijf in het pak de ruim honderd treden af van de monumentale trappenpartij van het station Saint-Charles. Zijn bagage? Wat zomerkleren – hij gaat ervan uit dat zijn missie na een paar weken achter de rug zal zijn. Verder nog drieduizend dollar die hij met plakband om zijn been heeft bevestigd en een lijst met tweehonderd namen van beroemde schrijvers, kunstenaars en intellectuelen die in gevaar zijn, onder wie de schrijvers Lion Feuchtwanger, Heinrich Mann en Alfred Döblin, alsook de kunstenaars Max Ernst en André Breton, en de filosofen Hannah Arendt en Walter Benjamin. De lijst was mede samengesteld door Thomas Mann, die al eerder naar de VS was geëmigreerd.

In anderhalf jaar tijd zullen twintigduizend (!) vluchtelingen bij de Amerikaanse hulporganisatie aankloppen. Vijftienhonderd konden er legaal of illegaal uit Frankrijk worden weggeholpen. Onder hen Anna Seghers: in maart 1941 vertrok ze samen met haar gezin naar Mexico.

Varian Fry richtte zijn bureau in op de vierde verdieping van hotel Splendide op de Boulevard d’Athènes vlak bij het station. Vanuit zijn kamer zag hij hoog achter de Vieux Port het silhouet van de boven Marseille uittorenende basiliek Notre-Dame de la Garde. Niets herinnert nu nog aan de grandeur die het hotel destijds ademde.  Ook de verteller van Transit had er een keer een afspraak met een invloedrijke Amerikaan. 

In de ruime hal zaten […] heren uit Vichy, heren van de Duitse commissie, Italiaanse agenten, voorzitters van de Rode Kruiscommissie, voorzitters van de grote Amerikaanse weet ik wat voor commissie, en in de hoeken van de spiegelzaal onder de palmen stonden, opvallend onopvallend lurkend aan de beste sigaren uit de verschillende landen, de best geklede, best betaalde spionnen van de wereld.
— Anna Seghers, Transit, pag. 248

Van hotel Splendide verhuisde Varian Fry naar de oostelijke buitenwijk La Pomme. Zijn nieuwe onderkomen werd Villa Air-Bel, een groot maar bouwvallig negentiende-eeuws herenhuis met uitzicht op het omringende heuvellandschap en de bergen verderop. Een lange laan omzoomd door platanen leidde langs een klein koetshuis in de schaduw van enkele ceders naar de aardekleurige villa met lichtgroene luiken. Het terras waarlangs een glazen kas stond, gaf uit op de tuin.

Tegen eind oktober 1940 had Varian Fry een twaalftal medebewoners in het grote landhuis. De gangmaker van het gezelschap was de oppersurrealist André Breton. Breton vond dat ze de geest van het fascisme te allen tijde al zingend, spelend en lachend moesten uitdagen. Elk geintje dat hen even de permanente dreiging deed vergeten was welkom, parende bidsprinkhanen als tafelanimatie tijdens een diner incluis. Breton had de beestjes aangetroffen in de glazen kas langs het terras, waar hij ook het gedicht ‘Fata Morgana’ voor zijn echtgenote Jacqueline Lamba zou schrijven. Zij was een voormalige variétéartieste. Met haar kunststukjes op een geïmproviseerde trapeze in de platanen vermaakte ze hun huisgenoten.

Onder impuls van Breton zag een gemeenschappelijk kunstwerk het levenslicht in Villa Air-Bel: Le jeu de Marseille. Er werd geloot voor wie welke van de tweeëntwintig tekeningen van dit nieuwe kaartspel voor zijn rekening zou nemen. Met wat briefpapier, waterverf, zwarte Chinese inkt en drie kleurpotloden gingen de kunstenaars aan de slag. Het legendarisch geworden kaartspel behoort nu tot de vaste collectie van het Musée Cantini, dat is gespecialiseerd in moderne kunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

 

 

Nu kan Villa Air-Bel enkel nog virtueel worden bezocht: in 1970 werden het huis en het bos errond met de grond gelijkgemaakt. Er rezen vier sociale woontorens op van achttien verdiepingen. De Cité Air-Bel telt duizend tweehonderd appartementen en heeft vooral immigranten uit Noord-Afrika aangetrokken. Aan de basis van dit urbanisatieproject liggen nobele sociologische doelstellingen en een concept dat wooneenheden afwisselt met publieke ruimte.

De Betonnen Stad

Toch is de buitenwijk La Pomme uitgegroeid tot een van de gevaarlijkste banlieues van Marseille. En daarmee belanden we bij dat heikele kantje van de op Parijs na grootste stad van Frankrijk: haar kwalijke veiligheidsreputatie. Waar rook is, is vuur, maar tegelijk dient gezegd dat er sinds een paar jaar werk wordt gemaakt van een verscherpt veiligheidsbeleid, dat wel degelijk zijn vruchten afwerpt.

Individuele wooneenheden integreren in een collectieve verticale stad, het was ook de filosofie achter de onder vele Marseillanen nog altijd omstreden La Cité Radieuse, de betonnen stad op pijlers ontworpen en in 1952 voltooid door de Zwitsers-Franse architect Le Corbusier.

Met het oog op haar rol als Culturele Hoofdstad 2013 is Marseille opnieuw in zee gegaan met vernieuwende architecten. Aan de Esplanade J4, een oude havenpier op een boogscheut van de Vieux Port, vind je de cultuurtempel Villa Méditerranée. Daarvoor ontwierp de Italiaan Stefano Boeri een strakke tentoonstellingsruimte die half zweeft boven een waterbassin.

Ernaast bevindt zich het MuCEM, een museum gewijd aan de Europese en mediterrane beschavingen. De bekende lokale architect Rudy Ricciotti bekleedde zijn glazen kubus met kantwerk van beton en voorzag het gebouw van een dakterras, vanwaar een passerelle je over het water naar Fort Saint-Jean brengt. Vanaf het fort loopt er een tweede wandelbrug naar de oude wijk Le Panier.

Nauwe straten en gezellige pleintjes geven dit stadsgedeelte een dorpssfeer. Tegelijkertijd zwengelen kunstgalerijen er een boeiende dynamiek aan. Nog een trendy trekpleister is l’Ombrière, de ontmoetingsplaats aan de Oude Haven, bedacht door de Britse sterarchitect Norman Foster. Dit schaduwgevende hemelgewelf van gepolijst edelstaal weerspiegelt de haven en de passanten.

Het weerkaatsende oppervlak van l’Ombrière mag dan de wereld op zijn kop zetten, sommige oude zekerheden blijven onverstoorbaar overeind: zo worden de huizen rond de Vieux Port als vanouds aan het zicht onttrokken door een wirwar van masten en gaat de zon nog altijd onder achter Fort Saint-Nicolas.

Informatie over Marseille

 

Katja Feremans is van opleiding vertaler Engels-Duits. Om de rust en de ruimte houdt ze van woestijnen, zoutmeren en zeegezichten. In het kielzog van vogelliefhebbers ging er evenwel een heel nieuwe wereld voor haar open. Verder pikt ze graag een vleugje cultuur mee tijdens een stedentrip. Ze recenseerde voor De Leeswolf en schrijft essays en verhalen.

Google+