Het hart van Borneo: 30 jaar later

Reisjournalist Wilke Martens reisde met het boek Into the Heart of Borneo op haar e-reader door de jungle.

Borneo is the third largest island in the world, after Greenland and New Guinea (…). It is one enormous forest. Estimates prepared by the Forest Departments from aerial photographs show that 75 per cent of the island is under primary forest, and a further 10 to 15 per cent under secondary forest.
— O’Hanlon citeert Smythies’ The Birds of Borneo

Het was in 1983 dat de Brit Redmond O’Hanlon zijn reisschrijfcarrière begon door de diepe jungle van Borneo in te trekken. Samen met de dichter James Fenton trok hij onder begeleiding van lokale gidsen tot in de diepste, nog onbeschreven, jungle van Borneo. Het avontuurlijke Into the Heart of Borneo was het resultaat van deze moeilijke en soms zelfs levensgevaarlijke reis. In die tijd werkte O’Hanlon als redacteur natuurhistorie bij de Times Literary Supplement, maar dit boek vestigde onmiddellijk zijn naam als reisschrijver. 

Terwijl O’Hanlon in de daaropvolgende decennia nieuwe avonturen aanging - onder meer herhaalde hij de route van Darwins Beagle voor de VPRO – werd de jungle van Borneo steeds kleiner. Ik maakte me dan ook geen illusies terwijl ik met O’Hanlon op mijn e-reader het enorme eiland over reisde. In de eerste plaats omdat ik niet, net als O’Hanlon, met rugzak en hangmat het diepst van de jungle introk, maar toch vooral omdat ik de ontbossingsproblematiek niet onderschatte.

Toch zijn er genoeg passages uit Into the Heart of Borneo nog steeds herkenbaar. Want al vinden O’Hanlon en Fenton niet de naarstig gezochte neushoorn in het diepst van de jungle; de volop beschreven ijsvogels, hagedissen en kleurrijke insecten zijn ook nu nog te spotten op tropische eiland. En bijna net zo mooi als de dieren zelf, zijn O’Hanlons karakteristieke beschrijvingen: 

The first real sight of the Borneo kingfishers was equally startling. Brighter than any illustration could ever be, apparently radiating blue and orange from its back and stomach all around itself into the background of green until it seemed to be a bird four times its size, its large bill translucent, carmine-red in the sun, the Black-capped kingfisher (in fact an eater of insects) was often so tame it never bothered to fly from us at all, but sat bobbing on its bough, chickchicking loud and shrill, furious to be disturbed.
— Redmond O’Hanlon, Into the Heart of Borneo

Het was een tocht op de Mahakam-rivier die me iets van O’Hanlons en Fentons avonturen deed voelen. Grote varanen die uit de rivier de oever opklommen, om in de rijstvelden op zoek te gaan naar kleine zoogdieren voor de lunch. Slangen die om een tak gekruld hoog in de boom lagen te slapen. Neusapen die vlug naar verder weg gelegen bomen sprongen toen ze ons motorbootje hoorden aankomen. En natuurlijk, veelvuldig, de prachtige ijsvogels, die met ons bootje mee leken te vliegen en iedere paar honderd meter even uitrustten op een tak.

Net zo kleurrijk als de ijsvogels, waren de mensen op deze tocht. Iets wat ongetwijfeld sinds O’Hanlons reis in de jaren tachtig niet veranderd is. Tijdens de riviertocht op de Mahakam verbleef ik in longhouses in kleine dorpjes aan de rivier. Ondanks dat ik geen woord Bahasa Indonesia wist uit te brengen, was de gastvrijheid ongekend. Ook al kwam het – vanwege Ramadan – niet tot een feest zoals O’Hanlon ze veelvuldig beleefde op zijn tocht.

The lives of the primitive farmers are pretty monotonous, after all, and isolated and lonely when they are staying out in their huts on the hill-padi fields, so when they are in the longhouse together they snatch any chance to have a party, and you’ll provide a good excuse.
— Redmond O’Hanlon, Into the Heart of Borneo

De idyllische jungle had echter op zich laten wachten. Want voordat we het stuk rivier bereikten waar inderdaad die ijsvogels, apen en slangen zich lieten zien, moesten we eerst stroomopwaarts. De Mahakam-rivier mondt na de stad Samarinda via een enorme delta uit in de Straat Makassar en bleek daardoor een ideale doorvoerroute voor tropisch hardhout en kolen. Voordat we het prachtige stukje oerwoud bereikten, zagen we eerst zagerijen op de oevers en schepen vol met enorme stammen. Flinke schepen, waar enkele zoetwaterdolfijnen nu nog vrolijk mee meezwommen.

Smythies’ 75 procent oerwoud leek inmiddels te zijn verworden tot 75 procent palmolieplantage. Of je nou een auto van het Indonesische Wahau naar Samarinda nam, of een vliegtuig van het Maleisische Miri naar Bario in het hart van Borneo, overal zag je platgebrande bossen, jonge oliepalmen of vanuit de lucht hoe bruine logging roads door het groen kronkelden. In een poging het tij te keren, verwijst sinds 2007 ‘heart of Borneo’ dan ook naar een conservatieproject van het Wereld Natuurfonds en de drie landen op Borneo: Maleisië, Brunei en Indonesië. 

Maar tegen het einde van mijn reis, kwam ik ook bij het einde van het boek. En hoe meer ik me frustreerde over de ontbossing en de palmolieplantages waar ik onderweg – ondanks alle prachtige stukken bossen en stranden - mee geconfronteerd werd, hoe meer ik me realiseerde dat het als westerse reiziger makkelijk klagen is over palmolie. Want, zoals de locals in O’Hanlons boek in de jaren tachtig al wisten, hoe kunnen ze zich anders voorzieningen als onderwijs en ziekenhuizen veroorloven? 

“The politicians get rich – one or two men get rich granting licenses to the Chinese to tear out our forests and take it all downriver; and now they’re going to build a dam and lay a cable to Japan and sell electricity and get even richer. You can say what you like, Siba- very soon there will be none of our land and none of our jungle left. Nothing.”
“Of course the dam must be built!”, said Siba. “How else will we pay for our people to be educated and have hospitals and live a decent life? I grant you – if we were Brunei and struck oil on the coast, we could leave the jungle alone and give every citizen a colour television set. But there’s precious little oil. There’s water and there’s wood.”
— Redmond O’Hanlon, Into the Heart of Borneo

Wilke Martens is freelance reisjournalist. Met haar camera en laptop doorkruist ze Zuidoost-Azië per bus, vliegtuig en motor, op zoek naar de beste plekken om over te schrijven. Ze schrijft onder meer voor National Geographic Traveler, Wegener en Metro.

Google+