Triëst, in de voetsporen van James Joyce

Tien jaar lang was Triëst de thuishaven van James Joyce (1882, Dublin – 1941, Zürich). Met deze voetnoot in haar geschiedenis pakt de stad tot op vandaag graag uit.

Het meest prominent is de Ierse schrijver aanwezig bij het pittoreske Canal Grande. Daar steekt zijn in brons gegoten evenbeeld een van de bruggetjes over het door rechte kaden ingedamde water over. Met een boek onder de arm wandelt hij richting Piazza Ponterosso. Samen met zijn toen nog onwettige echtgenote Nora Barnacle huurde hij vlak bij dit anno 1905 levendige plein een flat. Dikwijls zag hij er de imposante zeilschepen aanleggen om de fruit- en groentemarkt te bevoorraden.

De verkopers bieden op hun altaren de eerste vruchten aan, groen gevlekte citroenen, juwelige kersen, schaamrode perziken met gescheurde bladeren.
— James Joyce, Giacomo Joyce, pag 19.

De jonge, roodharige Nora had haar familie op het Ierse platteland al de rug toegekeerd, toen ze Joyce in Dublin leerde kennen. Ze schrok er dan ook niet voor terug om hem te volgen, toen hij in het najaar van 1904 weg wilde uit het katholiek-conservatieve Ierland, waar hij zich in zijn artistieke vrijheid beknot voelde.

Collega-dichters en vrienden kwamen met geld voor de overtocht naar het Europese vasteland over de brug, want zelf kon de immer berooide schrijver die niet bekostigen. Na een tussenstop in Parijs bereikte het koppel Zürich, maar de baan die Joyce er was beloofd aan het Berlitz-talencentrum bleek niet vacant. Het werd dus wachten op de job die in maart 1905 vrij zou komen aan het Berlitz in Triëst.

Triëst, 1905

Triëst, 1905

De stad ten oosten van Venetië en vlak bij de grens met Slovenië behoorde toen nog tot het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije en was de belangrijkste haven voor de dubbelmonarchie. Het kosmopolitische karakter van Triëst, een smeltkroes van talen en culturen op het kruispunt tussen oost en west, beviel de Joyces zeer. Het zal de Eerste Wereldoorlog zijn die hen er na tien jaar toe dwingt om een veiliger onderkomen in het neutrale Zwitserland te zoeken.

Bij de Corso Italia, destijds dé winkelstraat, woonden ze tussen de zomer van 1907 en het voorjaar van 1909 met hun zoon Giorgio (1906) en hun dochter Lucia (1907).  Vanuit hun stek op de Via Santa Caterina zag Joyce de modebewuste Triëstini graag op en af paraderen. Nu bieden de etalages op de begane grond van het riante huis waar hun flat deel van uitmaakte, een inkijk in saaie winkels, kleurloze banken, en dito verzekerings- of immobiliënkantoren.

Maar omhoogkijken is de boodschap in Triëst: vele façades geven vanaf de tweede verdieping hun glorie prijs, of wat daarvan overblijft: Jugendstilachtige schilderingen, kleurrijke friezen en medaillons, fijne ornamenten en wulpse gevelsculpturen.

De voormalige Berlitz-school had vier leslokalen in de inmiddels verkeersvrije Via San Nicolò. Zowel Joyce als zijn jongere broer Stanislaus (1884-1955) hebben er Engels onderwezen. Stanislaus was broerlief achterna gereisd en steunde hem zowel emotioneel als financieel, ook al toonde Joyce zich daar lang niet altijd even erkentelijk voor.

De rosse buurt rond de Via di Cavana

De rosse buurt rond de Via di Cavana

Het weinige geld dat er was, spendeerde de schrijver iets te gemakkelijk in het oude stadsgedeelte rond de voet van de kathedraal San Giusto. Aan (louche) cafés en hoerenkoten was er in deze buurt geen gebrek.

Niet minder dan veertig bordelen waren er te vinden in de smalle straatjes in de rosse buurt rond de Via di Cavana. Ruim tweehonderd prostituees boden er de klok rond hun diensten aan. Meer dan eens heeft Joyce er na een drankovergoten nacht onder de blote hemel liggen ontnuchteren.

 

 

Van Via Santa Caterina bij de Corso Italia verhuisden de Joyces naar de Via della Barriera Vecchia, in het verlengde van de brede boulevard Via Carducci, nog altijd een van de drukkere verkeersaders. Ze vonden er een flat boven de nog steeds bestaande apotheek Picciòla.

De verdiepingen erboven behoren nu tot het hotel Victoria, dat een graantje meepikt van de Joyce-bedevaart sfeer door zich op de kaart te zetten als literair hotel, dit evenwel zonder veel bezieling. Geef je dus in Caffè Pasticceria Pirona aan de overkant van de straat, in navolging van de schrijver, liever over aan het ruime assortiment van zoete versnaperingen.

Nergens in Triëst zouden de Joyces het langer uitzingen dan in de Via Donato Bramante: van september 1912 tot juni 1915. Op de vierde verdieping van dit roze gepleisterde maar voorts haveloze herenhuis net buiten het hart van de stad begon Joyce aan Ulysses en rondde er het eerste deel af.

Daar verheugde hij zich erover dat Dubliners na verschillende mislukte pogingen alsnog werd uitgegeven. Ook voltooide hij er Een portret van de kunstenaar als jongeman en schreef er Giacomo Joyce.

Giacomo Joyce is een sterk autobiografisch prozagedicht. Joyce-biograaf Richard Ellmann vond het manuscript in de nalatenschap van Joyces broer Stanislaus.  Zelf heeft de schrijver het werk nooit ter sprake gebracht. Het lijkt er dus niet op dat hij het dacht uit te geven. Niettemin was er veel zorg besteed aan de uiterlijke vorm van het manuscript. In schoonschrift schreef Joyce de prozaschetsen op bladen tekenpapier, die hij in een antracietkleurig schoolschrift stak. In andermans handschrift stond er in de linkerbovenhoek van de kaft ‘Giacomo Joyce’.

Voor zover we weten heeft de Ierse auteur de Italiaanse versie van zijn voornaam zelf nooit in de mond genomen. De titel klinkt dus eerder als een knipoog naar een andere Giacomo, met name Casanova, de uit Venetië afkomstige Don Juan.

joyce-small.jpg

In dit prozagedicht schetst een oudere kunstenaar in een vijftigtal korte fragmenten zijn onbeantwoorde liefde voor een jonge leerlinge. Moeten we het lezen als Joyces afscheid van zijn eigen jeugd? Als de kunstenaar er bij naam in wordt genoemd, heet hij daadwerkelijk Jamesy of Jim en een Nora komt erin voor als zijn partner. Maar wie is de jongedame die zijn hoofd op hol bracht?

In 1959 werd zij door Richard Ellmann ontmaskerd als Amalia Popper. Zij was een van de twee dochters van Leopoldo Popper, een gedistingeerde zakenman met joodse roots, achter in de veertig, groot en slank, met een zwarte moustache. In Giacomo Joyce is zijn leeftijd ietwat opgeschroefd: 

Het gezicht van de oude heer, knap, blozend, met uitgesproken joodse trekken en lange, witte bakkebaarden, keert zich naar me toe terwijl wij samen de helling aflopen
— James Joyce, Giacomo Joyce, pag 13.

Het gezin Popper woonde in een villa met zestien kamers vol antiek meubilair in een zijstraat van de Via Michele, die steil afdaalt naar de kathedraal San Giusto. Joyce zou er vanaf het najaar van 1907 tot juli 1908 een keer of drie per week aan huis zijn gekomen om Engels te onderwijzen. Zou, want toen Giacomo Joyce in 1968 op aansturen van Richard Ellmann postuum werd gepubliceerd, was geen van de rechtstreekse getuigen nog in leven.

Amalia Popper had hij niet te spreken gekregen in de tien jaar tussen de vondst van het manuscript en de publicatie ervan. Haar echtgenoot, Michele Risolo, zou het contact hebben tegengewerkt. En toen het prozagedicht uiteindelijk verscheen, was Amalia al een jaar overleden.

Al was Joyce toentertijd een armoedzaaier, hij was volgens Amalia’s weduwnaar een graag geziene gast bij de Poppers. Op zondagen werd hij zelfs geregeld op familiefeestjes uitgenodigd. Dan gebeurde het dat vader Popper vioolspeelde en Joyce hem begeleidde op piano. Soms nam Joyce zijn zoontje Giorgio mee, Nora was echter nooit van de partij.

Noodgedwongen leefde ze heel teruggetrokken. Omdat ze niet getrouwd waren - pas in 1931 werd hun verhouding officieel bezegeld - was het niet evident voor het koppel om samen aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Kwam daarbij dat ze voortdurend in geldnood verkeerden en Nora zich geen gepaste kledij kon veroorloven.

Michele Risolo maakt zich sterk dat Joyce en Amalia elkaar nooit onder vier ogen hebben ontmoet. Na haar studietijd bestond het enige contact tussen de twee uit een eenmalig over en weer gaande briefwisseling uit 1933 rond haar Italiaanse vertaling van Joyces bundel Dubliners.

Of hij zich misschien zijn oud-leerlinge nog kon herinneren? Joyce antwoordde van wel, en ook dat hij nog wist dat hij voor haar postbode had gespeeld. Daarmee doelde hij op de brieven die ze via hem had laten afleveren aan een tante die uit haar vaders gratie was gevallen, omdat ze flirtte met een vijftien jaar jongere man.

Was James Joyce werkelijk ziek van liefde voor de femme fatale die hem afwees? Waarschijnlijker is dat de taalkunstenaar zich doelbewust naar een roes van verliefdheid toe schreef om zijn pen te scherpen. En wellicht was er meer dan één meisje dat daarbij als zijn muze fungeerde.

Volgens het James Joyce Museum in Triëst is de tweede meest waarschijnlijke kandidate Emma Cuzzi, een andere pupil van hem. En dan is er nog ene Annie Marie Schleimer, die naar voren wordt geschoven door Clare Wallace, verbonden aan het Centrum voor Ierse Studies aan de Karelsuniversiteit van Praag. Annie Marie, eveneens een van zijn leerlingen, zou hij zowaar ten huwelijk hebben gevraagd. Toch spreekt vooral haar fascinatie voor paraplu’s in haar voordeel, afgaande op het envoi van Giacomo Joyce:

Love me. Love my umbrella.
— James Joyce, Giacomo Joyce, pag 36.

Giacomo Joyce mag dan minder vernieuwend zijn dan het experimentele proza in Ulysses en Finnegans wake, de associatieve tekst wordt wel gevoed door Joyces passie voor melodie en ritme.

Veel heeft het overigens niet gescheeld of de muzikaal aangelegde schrijver was operazanger geworden. Vaak bezocht hij voorstellingen in het Verdi Theater in Triëst. Geld had hij daarvoor nochtans niet, wel het geluk dat collega-journalisten van het lokale dagblad Il Piccolo hem geregeld gratis tickets toestopten. Zelf schreef Joyce voor de avondeditie van Il Piccolo en wel in vlekkeloos Italiaans. Tot op vandaag is de krant niet weg te denken uit het straatbeeld van Triëst. Ze wordt er gretig doorgenomen op de bus, in de trein en in de vele koffiehuizen die de stad telt.

koffieweb.jpg

Koffie is ontegensprekelijk hot in Triëst. Je vraagt er ‘un nero’ (een espresso), ‘un capo’ of ‘un capo in b’ (respectievelijk een espresso met warme melk in een kop, of in een glas). Joyce en zijn collega’s van het Berlitz vonden het aangenaam toeven in Caffè Stella Polare bij de Servisch-orthodoxe kerk met haar blauwgrijze koepel aan het Canal Grande.

In koffiehuizen maakte Joyce ook vele uren zoek met Italo Svevo (1861-1928), aan wie hij privéles Engels gaf. Dat hij daarnaast de literaire ambities van zijn student op middelbare leeftijd steunde, is voor Svevo van doorslaggevend belang geweest voor de voltooiing van zijn Bekentenissen van Zeno.

Het chicste koffiehuis is en blijft met voorsprong het Caffè degli Specchi op het Piazza Unità d’Italia, dat op de soms opvallend roerloze Adriatische Zee uitgeeft. Vanaf het rijenbrede terras overkijk je dit Weens aandoende plein schuin tegenover de wandelpier Molo Audace. De geschiedenis van het Caffè ‘van de Spiegels’ gaat terug tot 1839.

Na de Tweede Wereldoorlog werden er Brits-Amerikaanse troepen ingekwartierd. Nu wordt het vooral bezet door toeristen en minder door de Triëstini. Hen tref je vooral in de meer bescheiden koffiehuizen overal verspreid in de stad.


Bibliografie:

- Hertmans, Stefan. Steden

- Joyce, James. Giacomo Joyce. Antwerpen, Kritak/Goossens, 1995.

- Lanouette Hughes, Eileen. ‘The Mystery Lady of ‘Giacomo Joyce’’, Life, pag. 36-40, februari 1968. 

- Lernout, Geert. James Joyce. Een introductie

- McCourt, John. James Joyce A Passionate Exile

- Seidel, Michael. James Joyce: A Short Introduction

- Wallace, Clare. ‘Ghosts in the mirror: Perception and the visual in Giacomo Joyce

Katja Feremans is van opleiding vertaler Engels-Duits. Om de rust en de ruimte houdt ze van woestijnen, zoutmeren en zeegezichten. In het kielzog van vogelliefhebbers ging er evenwel een heel nieuwe wereld voor haar open. Verder pikt ze graag een vleugje cultuur mee tijdens een stedentrip. Ze recenseerde voor De Leeswolf en schrijft essays en verhalen.

Google+