Het Nice van Patrick Modiano

In de thrillerachtige roman Zondagen in augustus neemt Modiano je mee naar Nice. Een schimmige speurtocht in de stad aan de Côte d’Azur.

Zowel de Europese als de Russische aristocratie overwinterde in de eerste helft van de vorige eeuw graag in Nice, maar ook schrijvers en kunstenaars, onder wie Henri Matisse en Marc Chagall, Anton Tsjechov, Vladimir Nabokov, Joseph Roth, Stefan Zweig en vele anderen vielen voor de charmes van de parel aan de Côte d’Azur: de strakblauwe hemel, de roomwitte gebouwen uit de belle époque, de zonovergoten straten en de palmen langs de Promenade des Anglais.

Over dat alles legt Nobelprijswinnaar Patrick Modiano (1945) in Zondagen in augustus (1986) echter een vreemde, verontrustende sluier.

Modiano verkent graag oude (hoofd)steden, ‘vol plooien en vol bochten, waar alles, gruwel zelfs, betoverender wordt’ – naar het gedicht ‘Les petites vieilles’ van Charles Baudelaire. Doorgaans is Parijs het domein van Modiano, maar voor Zondagen in augustus neemt hij ons mee naar Nice.

De hoofdpersonen, Jean en Sylvia, zijn op de vlucht en hopen vanuit Nice de grens met Italië over te steken. De twee hadden elkaar leren kennen aan het strand van La Varenne in de buurt van Parijs. Sylvia lag er aan de oevers van de Marne te zonnebaden. Jean, een fotograaf, brak er zich het hoofd over de ideale hoek voor een foto van het rivierstrand. Ze raakten aan de praat. Er sloeg een vonk over. Sylvia stelde hem voor aan haar partner, Frédéric Villecourt, een louche zakenman die warmliep voor een schitterende diamant met een stamboom. Mét die diamant gingen Jean en Sylvia er uiteindelijk samen vandoor.

Rue Caffarelli en Jardin d’Alsace-Lorraine

In de Rue Caffarelli huurde Jean een gemeubileerde kamer in Villa Sainte-Anne. Op goed geluk was hij vandaar, ongeveer een week nadat hij als eerste in Nice was gearriveerd, langs de Rue Gounod naar het treinstation gelopen om Sylvia af te halen. Een taxi bracht hen naar hun nieuwe onderkomen. Onder bladergeruis duwde Jean het hek open. Hun kamer op de eerste verdieping lag achter in de tuin van de villa en had een aparte ingang. Twee door zwarte gordijnen beschutte ramen gaven uit op de tuin. Een lederen fauteuil en een bed met koperen spijlen waren de enige meubelen.

Als de indringende, muffe geur hen te veel werd, zochten ze vaak hun toevlucht in de Jardin d’Alsace-Lorraine op hooguit vijf minuten wandelen van hun pension. Jean hield van die plek om de parasoldennen - die er in het echt niet zijn - en om de huizen die zich scherp tegen de hemel aftekenen. Ze gingen er ook van uit dat niemand hen zou komen zoeken tussen al die moeders die er op hun kinderen letten. In de buurt van Villa Sainte-Anne wanen ze zich doorgaans het veiligst. Toch zal Jean later bedenken:

De eerste keer dat ik het gevoel kreeg dat we in deze stad in de val zaten, was in de Rue Caffarelli, toen het regende en ik kranten ging halen
— Zondagen in augustus ,pagina 45

Hotel Le Negresco op de Promenade des Anglais

De bar van hotel Le Negresco is een andere plek waar Jean al een voorafschaduwing zag van het onheil dat hen nog te wachten stond. In dit prestigieuze hotel uit de belle époque lopen de portiers nog altijd af en aan in livrei. Het is de meest tot de verbeelding sprekende locatie op de Promenade, die in 1820 door de Engelse gemeenschap werd aangelegd. Talloze beroemdheden hebben er de afgelopen honderd jaar verbleven: Salvador Dalí, Walt Disney, Jean Cocteau, Grace Kelly, Elton John, om er maar enkele te noemen.

Vanuit de bar keken Jean en Sylvia door het grote raam uit op de palmen in de tuin van het Musée Masséna, toen Jean het plots benauwd kreeg:

We zaten gevangen in een aquarium en keken door het glas naar de hemel en het groen buiten. We zouden nooit meer vrij kunnen ademhalen
— Zondagen in augustus, pagina 60

Toen de avond viel, ebde zijn angst weg, tot hij in een gedaante in een donkergrijs pak bij de lift in de hotellobby Sylvia’s ex-partner Villecourt herkende. Die liep naar buiten en sprak op de hoek van de Promenade des Anglais en de Rue Rivoli met een van de chauffeurs van de grote huurauto’s die daar geparkeerd stonden. Daarna slenterde hij weg over de linkerkant van de promenade in de richting van de Jardin Albert I, waar ook toen al een carrousel overdag rondjes draaide.

Nice voelde van dan af aan als een kooi waarin ze afgesneden van de buitenwereld in kringetjes liepen of onbeweeglijk op plekken zaten waar er veel passage was: eetzalen en bars in hotels, caféterrassen langs de Promenade des Anglais, zoals dat van de Queenie. Daar bleven ze op een avond langer hangen dan anders. Jean vond het een plek die uitnodigde om in de eindeloze stoet voorbijgangers te speuren naar gedaanten uit het verleden. (Beminnelijke) spoken, zo noemt Modiano deze schimmen ook wel. Door menigeen van zijn hoofdpersonages worden ze nagejaagd.

Het werd donker. De straatlantaarns verspreidden een onzeker, zachtpaars licht. Jean en Sylvia bleven op het met glas omgeven terras van de Queenie zitten wachten, zonder echt te weten waarop. Een koppel nam plaats aan een tafeltje vlak bij het hunne. Door haar avondjurk en bontmantel leek de vrouw op weg naar een soiree. De man maakte een eerder slordige, nogal afgepeigerde indruk. Hij was het die het jonge stel voorstelde om samen iets te drinken.

Virgil Neal was een Amerikaan, zijn echtgenote een Engelse, maar allebei hadden ze sinds lang een band met de Côte d’Azur. Hun auto stond een eindje verder geparkeerd. Of ze Jean en Sylvia ergens konden afzetten?

Onderweg stopte het excentrieke echtpaar hen hun visitekaartje toe. Enerzijds hoopte Jean de Neals terug te zien, anderzijds stemde een en ander hem achterdochtig, niet het minst het Corps Diplomatique-kenteken van hun wagen. Dat ze de auto van vrienden hadden geleend, kon hem nauwelijks geruststellen.

Place Masséna

Tot een echte confrontatie met Villecourt kwam het, nadat Jean en Sylvia hem onder de okerrode arcaden van de Place Masséna een krantenwinkel uit hadden zien lopen. Ook hij had hen opgemerkt. Met wijd open ogen en een starre blik bewoog hij zich tussen de talrijke voorbijgangers in hun richting. Jean en Sylvia hoopten hem te ontwijken door het verkeersvrije deel van de Rue de France in te slaan. Maar Villecourt haalt hen in en probeert hen de pas af te snijden.

Jean wil hem wegduwen, maar zijn armzwaai pakt te breed uit. Met zijn elleboog raakt hij Villecourts lippen. Bloed druppelt van diens kin, maar daardoor laat hij zich niet van de wijs brengen: dat ze hem altijd op hun weg zullen vinden, tenzij ze het met elkaar eens kunnen worden … de enige manier om te voorkomen dat anderen zich met hun zaak gaan bemoeien. Daarop zetten Jean en Sylvia het op een lopen.

Ze namen zich voor om het incident als volstrekt onbeduidend af te doen: er waren Villecourts vreemde achtervolging, zijn halfslachtige dreigementen, en het verbijsterende gemak waarmee hij hen had laten ontkomen; zelfs het bloed op zijn kin had getrukeerd geleken. De passage heeft door dit alles iets van een droomscène. Jean en Sylvia hebben trouwens wel vaker het gevoel buiten de tijd en de werkelijkheid te staan:

De straten trokken aan ons voorbij en we wisten niet meer of we door een lopende band werden meegevoerd of dat de omgeving langs ons schoof door middel van die filmtruc die “achtergrondprojectie” genoemd wordt.
— Zondagen in augustus, pagina 100

Gelukkig waren er dus de Neals, die Jean en Sylvia geregeld op sleeptouw namen, bijvoorbeeld naar een chic Italiaans restaurant in Rue des Ponchettes, aan de voet van de Colline du Château, een heuvel waar sinds de verwoesting van de citadel in 1706 geen kasteel meer staat. Je vindt er enkel nog de Tour Bellanda, een rond bastion dat is gebouwd op de fundamenten van de oude citadeltoren. In de huidige Rue des Ponchettes is het moeilijk om een pand te koppelen aan het restaurant uit Zondagen in augustus.

Cimiez

Maar ook dat is Modiano: sommige van de locaties die hij beschrijft, hebben geen exacte kopie in de werkelijkheid. Zo speelt de schrijver eveneens in de statige Boulevard de Cimiez met de topografie. Via deze met bomen omzoomde laan kan je naar het Cimiez-kwartier op de heuvel in het noordoosten van de stad. Jean en Sylvia gingen er soms wandelen in de Jardin des Arènes. Dit park met zijn uitgestrekte grasperken vol olijfbomen grenst aan de Romeinse site en het huidige Musée Matisse.

Excelsior Régina Palace ©  David Bronkhorst

Excelsior Régina Palace ©  David Bronkhorst

De villa van de Neals, Château Azur op nummer 50bis, wordt voorgesteld als een van de weinige particuliere woningen op de Boulevard de Cimiez. Ze lag zo’n vijftig meter van het kruispunt dat wordt beheerst door het voormalige Excelsior Régina Palace. Dit winterverblijf was speciaal voor de Engelse koningin Victoria gebouwd.

Wanneer je de licht hellende boulevard oploopt, stel je echter twee dingen vast. Eén: er is geen nummer 50(bis), de huisnummers op de rechterkant springen van 48 naar 52! En twee: die locatie ligt een stuk verder weg van het Régina-kruispunt. De Avenue Edouard VII, die in de roman wordt vermeld omdat je vandaar over de gebalustreerde muur heen Château Azur goed kon zien liggen, bevindt zich dan weer wel op de ‘juiste’ plaats.

Tijdens de lunch in de Rue des Ponchettes, alsook bij de koffie die daarna werd gedronken bij de Neals in de tuin, stond Sylvia’s diamant centraal. Virgil Neal wil hem namelijk kopen voor zijn echtgenote, omdat ze tien jaar getrouwd zijn. Jean betwijfelt echter of hij daar het geld voor heeft. Hun villa straalt weliswaar luxe uit, maar de tuin is verwaarloosd en in het zwembad drijven takken en herfstbladeren. Bovendien kijken de Neals er angstvallig op toe dat Jean en Sylvia niet te dicht bij het woongedeelte komen.

Coco-Beach

Uit zijn autobiografische roman Un pedigree weten we dat Modiano’s vader onder de Duitse bezetting een grote, roze diamant kocht, het Zuiderkruis, met de bedoeling er na de oorlog munt uit te slaan. De gelijknamige fictieve diamant uit Zondagen in augustus zal tijdens een diner in het visrestaurant Coco-Beach het begin van het einde inluiden.

De Neals hadden het jonge koppel uitgenodigd. Met hun vieren reden ze om de oude haven heen en volgden dan via Parc Vigier de bochtige laan langs de zee. De eetzaal van Coco-Beach, nog steeds een instituut in Nice, verheft zich zo’n tien meter boven het water en door het raam rondom lijkt het alsof je er op een schip zit.

De baai van Nice © David Bronkhorst

De baai van Nice © David Bronkhorst

De hele Engelenbaai strekte zich voor hen uit. Schijnwerpers verlichtten zowel de rotsen als het monumentale herdenkingsteken voor de oorlogsslachtoffers aan de voet van de Colline du Château. Verderop baadde de Jardin Albert I in het licht, evenals de melkwitte gevel en roze koepel van hotel Le Negresco.

De locatie en het schitterende uitzicht staan in schril contrast met Jeans onbehagen over de toon die Virgil Neal tijdens het diner aanslaat. Jeans ongenoegen bereikt een hoogtepunt bij het dessert, wanneer Neal zich naar Sylvia toebuigt en zijn wijsvinger over haar diamant laat glijden met de woorden:

Dus je draagt nog steeds je glimmertje?
— Zondagen in augustus, pagina 110

Hoewel de spanning vanaf dan te snijden is, stelt Neal voor om nog samen naar Cannes af te zakken. Jean en Sylvia brengen tal van bezwaren in, maar tevergeefs. Ze belanden weer bij de Neals in de wagen en het gaat richting Cannes, weliswaar met een tussenstop bij de oude haven, aan het begin van de Quai des Deux-Emmanuel. Daar stapt Jean uit om sigaretten te kopen voor Barbara Neal.

Majestic

voormalig hotel Majestic

voormalig hotel Majestic

Jean zal de film van die avond nog eindeloos terugdraaien, maar hij vindt geen aanknopingspunten om grip te krijgen op wat er toen exact gebeurde. En wat Nice betreft, de stad is voor hem een moeras gebleken, waarin hij in een periode van zeven jaar langzaam maar zeker vast is komen te zitten.

De route die hij gedurende al die jaren het meest vaak is blijven volgen, loopt van de Rue Caffarelli, over de Boulevard Gambetta, via Avenue Victor Hugo naar zijn flat in het voormalige hotel Majestic, precies in de bocht van de Boulevard de Cimiez.

Vele van Patrick Modiano’s personages zwerven in steden rond in de hoop het vliedende beeld van deze of gene terug te vinden. Als houvast hebben ze dikwijls niet meer dan een naam die in hun geheugen rondwaart, of een vage herinnering aan een of andere godvergeten wijk.

Verdwijning, identiteit en de verstrijkende tijd zijn voor Modiano verbonden met de topografie van grote steden. Modiano’s poëtische ruimte is gecalqueerd op de werkelijkheid, maar valt er niet geheel mee samen.

Daarnaast zindert er onder dat stratenplan steevast een beklemmende geschiedenis. Die onderstroom roept in combinatie met het net niet samenvallen van de reële en de gefictionaliseerde stad de verontrustende sfeer op, waarvan ook Zondagen in augustus is doordrongen.

Het Frans Bureau voor Toerismewww.France.fr

Meer informatie over Nice:

www.nicetourisme.com

www.visitcotedazur.travel

Meer lezen?

Patrick Modiano: Zondagen in augustus

Patrick Modiano: Un pedigree

Patrick Modiano: Discours à l’Académie suédoise

Nice, muze van azuur. Samengesteld door Dirk Leyman, Uitgeverij Bas Lubberhuizen

Katja Feremans is van opleiding vertaler Engels-Duits. Om de rust en de ruimte houdt ze van woestijnen, zoutmeren en zeegezichten. In het kielzog van vogelliefhebbers ging er evenwel een heel nieuwe wereld voor haar open. Verder pikt ze graag een vleugje cultuur mee tijdens een stedentrip. Ze recenseert voor Mappalibri en schrijft essays en verhalen.




Google+