Het Japan van Murakami

Reisjournalist en schrijver Iris Hannema reisde de hele wereld over in de voetsporen van haar geliefde boeken. Het resultaat is de 13-delige serie 'Het boek achterna'. Deel 2: het Japan uit 1q84 van Haruki Murakami. 

De achterdeur van de taxi vliegt automatisch open. Als ik instap, zie ik dat de chauffeur zijn witgehandschoende handen nog gewoon aan het stuur heeft. Zijn gestalte en rechte rug doen denken aan een butler. Hij begrijpt geen woord van mijn Engels, maar blijft eerbiedige knikjes geven met zijn hoofd. De taxi zet zich niet in beweging; de man heeft geen idee waar ik naartoe wil.

Hij overhandigt mij zijn Samsung telefoon en ik maak kennis met de Japanse vertaallijn. Een vriendelijke vrouwenstem vraagt in perfect Engels naar mijn bestemming en vertaalt alles in het Japans aan de chauffeur.

“Hái, Shinjuku, hái,” zegt de chauffeur begrijpend. “Hái!,” zeg ik terug, het Japans voor ‘ja’.

Vanachter het autoraam is de extravagante Japanse metropool Tokio precies zoals ik me die had voorgesteld. Videoschermen met zingende, meisjesachtige jongens blèren vrolijke deuntjes dwars door elkaar heen.

De felle neonreclames van de winkels hebben alle mogelijke kleuren, de letters verticaal van boven naar beneden. Over de brandschone stoepen lopen strak voor zich uit kijkende zakenmannen met de tred op haast, hippe meisjes met gepolijste gezichtjes en jongens met grote zwarte ‘nerd brillen’.

 

Ik heb eindeloos gefantaseerd over Tokio en nu ik er eindelijk ben, besef ik dat mijn geest al die tijd het echte Tokio heeft gezien. Dat komt door de fascinerende literatuur van Haruki Murakami.

Hij beschrijft locaties nauwelijks in detail, maar toch wéét je als lezer hoe Tokio ruikt en voelt. Want zoals het een meesterlijk schrijver betaamt, weet hij dat woorden soms juist overbodig zijn om de lezersgeest te prikkelen. Haruki Murakami is de enige in zijn soort. Zijn stijl is onnavolgbaar, mysterieus, hypermodern, bizar, beklemmend, vreemd, excentriek, maf, verwarrend, ondoorgrondelijk, erotisch, wat eigenlijk niet?

Wereldvreemde snuiters

In de wijk Shinjuku is de herrie overweldigend. Hier begon Murakami’s schrijverscarrière: in de winkel Kinokuniya kocht hij ooit zijn eerste manuscriptpapier, een vijf dollar Sailor pen en schreef hij zijn debuutroman: Hear the wind sings (1979), waarmee hij meteen de Gunzou Literatuurprijs voor beginnende schrijvers won. Samen met zijn vrouw Yoko runde hij zeven jaar lang de jazzbar Peter Cat, die inmiddels niet meer bestaat maar in meerdere van zijn boeken voorkomt.

Harajuku-girls.jpg

In de bruisende stad doet de enorme mensen­ massa denken aan een keurig voortbewegend leger. Bij de verkeerslichten wordt netjes gewacht totdat het mannetje groen wordt en loopbewegingen begint te maken.

De karakters van Murakami zijn altijd wereldvreemde snuiters,van aantrekkelijke moordenaars tot frivole en suïcidale lolita meisjes. Maar ook zij zullen het rode stoplicht niet negeren, dat weet je gewoon.

 

Op de stoep proberen verkoopsters in groene Alice in Wonderland balletpakjes de voorbijgangers met stafjes naar binnen te toveren.  De enorme gebouwen zijn op elke verdieping, van onder tot boven gevuld met design kleding­ winkeltjes, koffietentjes, snoepshops en computerzaken. Met een mok slappe koffie voor mijn neus hou ik een rustpauze. Koffie bestellen in het Japans lukt mij nog nét, ‘coffíí hái’, maar een babbeltje met een autochtoon zit er voorlopig niet in. Koffiebars in Tokio lijken op het eerste gezicht op de Amerikaanse versies, maar eenmaal binnen is het toch anders. Overal staan asbakken op tafel, de croissantjes en muffins smaken vissig en de zwarte koffie is net slappe thee.

De populaire wijk Shinjuku wordt in Murakami’s trilogie 1q84 meerdere malen met naam en toenaam genoemd. Een van de twee hoofdfiguren, de jonge wiskundeleraar, drinkt hier vaak zijn koffie. Als ik even mijn ogen dichtdoe, zie ik hem zitten, de grofgebouwde einzelgänger Tengo. Een beetje alleen voel ik mij ook wel in deze immense cultuurshock van herrie en neonlichten, nog versterkt door de taalbarrière. Maar ik ben in goed gezelschap, Murakami’s Tengo was ook eenzaam.

De dubbele bodem

Een kaartje kopen in de ondergrondse van Tokio is niet heel eenvoudig, maar oefening baart kunst, dus zit ik nu netjes legaal in de JR Yamanote Line richting Asakusa. In de volle treinwagon is het heel stil. Ik hoor nauwelijks menselijk geluid, behalve het getik van duimen op de smartphones en het omslaan van de pagina’s van de manga­strips, Japanse cartoons.

Andere passagiers zijn verdiept in een leesboek met een beschermend papier eromheen, zodat niemand kan zien wat zij lezen. Niet gek, deze vorm van privacy eenentwintigste eeuw; een boek verklapt tenslotte altijd iets over je actuele state of mind.

Aangekomen in mijn mini kubusvormige hotelkamer, vlakbij de stadstempel Sensõ­ji, is mijn herinnering aan de dag al aan het vervagen. Alles in deze metropool gaat in zo’n mechanisch hoog tempo, ik vraag mij af of vandaag wel echt gebeurd is. Tokio, bestaat dat wel?

Ik heb altijd aangenomen dat Murakami’s bizarre verhalen een magische maar waarheidsgetrouwe spiegel van zijn land zijn. Dat in Japan niets is wat het lijkt, dat alles een dubbele bodem heeft én lijn­ recht daar tegenover: regels zijn regels. Hoe is het mogelijk dat Japanners keurig naast de straatasbak hun sigaretten oproken en niet al lopend? En hoe is het te verklaren dat in deze schaamtecultuur zoveel keurige mannen in open kiosken gewelddadige en seksuele mangastrips staan te lezen? En hoe komt het dat kleine kinderen zich in Japan zó voorbeeldig gedragen? En dat extreme gothic en als Disneyfiguren verklede pubers een cultscene vormen?

Beroemde gezelschapsdames

Ik ben op weg naar Kyoto, waar Murakami in 1949 werd geboren. De witte Shinkansen Superexpress, met een platte neus als een eendensnavel, is vanuit Tokio Station tot op de seconde op tijd vertrokken. Het uitzicht vliegt met 300 kilometer per uur voorbij: berglandschappen, bonte herfstkleuren, rijstvelden. De snelheid van de trein voelt als een vliegtuig dat vlak voor het opstijgen vaart maakt.

Kyoto is een modern ogende stad met tempels, paleizen én geisha’s. In de beroemde wijk Gion wil men maar één ding: echte geisha’s zien. En eerlijk gezegd: dat wil ik ook. In de avond is de kans het grootst dat de zorgvuldig uitgedoste gezel­ schapsdames met hun witte gezichten, knalrood geverfde lippen en indrukwekkende kimono’s met afgebonden borstpartij, zich buiten laten zien.

De smalle straten met kinderkopjes, tempelachtige restaurantjes en verlichte lampionnetjes zijn er een perfect decor voor. In de vroege avond in een winkel­ straat bij een stoplicht gebeurt het, alsof Madonna gesignaleerd is: twee geisha’s.

Het winkelende publiek, westers en Japans, begint onmiddellijk te fotograferen. De twee vrouwen voelen zich zichtbaar ongemakkelijk door de plotselinge aandacht. Hun pas versnellen kunnen ze niet, want de traditionele kimono’s zijn bij de onderbenen loeistrak, zodat ze alleen met heel kleine pasjes kunnen voortbewegen. Ik vind het een nogal gênante vertoning en duik snel de boeddhistische Yasaka Tempel in.

Achter de helderoranje tempelpoort ligt een stil, rustgevend binnenplein. Daaromheen tempel­ gebouwen met overal offergaven en in het midden van het plein, een honderdtal licht­ gevende lampionnetjes. De sterke geur van de wierook waait met vlagen langs. Biddende mensen zitten geknield met de handen gevouwen. De stilte binnen de tempelmuren is bijna surrealistisch, te midden van deze hectische miljoenenstad.

Sake en weerwolven

In een kleine sake bar met in het raam ontelbare meer literflessen sake, staan slechts vijf krukken aan de bar. De rest van de ruimte is gevuld met stoelen zonder poten, waar je op je scheenbenen en knieën kunt plaatsnemen. Het staat blauw van de sigarettenrook, een groep lallende zakenmannen in kleermakerszit achterin. Ze hebben rode drankwangenen brullen door elkaar heen. Een van de mannen heeftzijn stropdas als ninja­strijder over de oren en het voor­hoofd geknoopt. Ik moet ineens denken aan weerwolven. Die veranderen ook als de zon onder is.

Overdag zijn de zakenmannen gereserveerd, lopen volgens de hiërarchie in het gareel. Maar als ’s avonds de kantoren gesloten zijn, ontwaakt als het ware het innerlijk beest. Er wordt gezopen met collega’s en de baas. En iedereen gaat mee de kroeg in, want ‘nee’ zeggen tegen je meerdere, dat doe je niet. De onbegrijpelijke tegenstrijdigheid van Japan, zo magisch door sfeerkunstenaar Haruki Murakami verwoord, ligt in het verlengde van zijn geest: ondoorgrondelijk.

Over het boek: 1q84 (een trilogie)

Tokio, het jaar 1q84, de andere tijdsdimensie van het jaar 1984. Hier volgen we twee dertigers: Aomame (fitnessinstructrice, huur- moordenares) en Tengo (wiskundedocent, schrijver). De levens komen samen in één wereld, gecreëerd door Haruki Murakami (1949). 1q84 bestaat uit drie romans, met al zijn favoriete onderwerpen: liefde, jazz, eenzaamheid, seks, koffie, meisjes, eten, verlies, klassieke muziek, vreemde karakters, alcohol, metro’s en Tokio. 

Iris Hannema (1985) is freelance journalist/fotograaf/schrijver (Miss yellow hair hello! bij Arbeiderspers) en geeft lezingen. Zij reisde naar meer dan zeventig landen en voer vanaf Ecuador de Amazone af, doorkruiste het snikhete Midden-Oosten, ging nachtenlang treinend van Amsterdam naar Beijing, nam het volgepakte openbaar vervoer door Zuid-Amerika en ontdekte West-Afrika in rammelende auto's. Ze publiceerde in onder meer HP/De Tijd, ZIN, Trouw, National Geographic, NRCNext, Harpers Bazaar, Algemeen Dagblad en FD.

Dit verhaal werd eerder gepubliceerd in ZIN Magazine als verhalenserie ‘Het boek achterna'. Meer Zin? Klink dan op zin.nl/abonneren

Google+