Het Birma van Orwell

Het is het Aziatische Myanmar waar we een van de grootste westerse schrijvers van de twintigste eeuw aan te danken hebben. George Orwells 1984 en Animal Farm hadden nooit geschreven kunnen worden zonder zijn debuut Burmese Days.

 

Burmese Days? Jup, het was de hete, klamme jungle van het huidige Myanmar waar George Orwell, pseudoniem van Eric Arthur Blair, het thema vond voor zijn eerste roman.

Vijf jaar lang werkte hij als ‘imperial policeman’ in het koloniale Birma, lang genoeg om compleet verbitterd te raken over het Britse imperialisme en de manier waarop de lokale bevolking werd behandeld.

Want in die tijd had ik eigenlijk al voor mezelf besloten dat het imperialisme een kwade zaak was en dat hoe sneller ik mijn baan overboord kon gooien hoe beter. Theoretisch – en in het geheim natuurlijk- was ik helemaal voor de Birmanen en helemaal tegen hun onderdrukkers, de Britten.
— George Orwell, Shooting an Elephant
Jungle van Birma © Wilke Martens

Jungle van Birma © Wilke Martens

Orwell besloot daarop terug te keren naar Europa en schrijver te worden: in 1934 werd zijn debuutroman Burmese Days gepubliceerd in Amerika, Londen volgde in 1935.

Bijna tachtig jaar later vindt het boek ook zijn weg in Myanmar zelf: tussen de handgemaakte armbandjes en sjaals liggen gekopieerde exemplaren van Orwells roman. Netjes verpakt in een plastic hoesje vindt het werk gretig aftrek onder toeristen, om zich tijdens de volgende lange busreis te verdiepen in het Birma van de vroeg twintigste eeuw. Het Birma van Orwell.

Het enorme Aziatische land was toen nog overwoekerd met jungle waar het wemelde van de eeuwenoude bomen, kleurige bloemen en wilde beesten.

Hier werd het oerwoud groener, vanwege het water, en waren de bomen hoger. Aan de oever van de stroom stonden een enorme dode pyinkadoboom, uitgedost met spinachtige orchideeën, en wat struiken wilde limoen, met witte wasachtige bloemen.
— George Orwell, Burmese Days

In het huidige Myanmar is de hoeveelheid eeuwenoude bomen en wilde beesten jammer genoeg flink afgenomen.

Gouden Shwedagon pagode © Wilke Martens

Gouden Shwedagon pagode © Wilke Martens

Wat echter niet veranderd is, is het aantal tempels in het land. Niet alleen is er de enorme gouden Shwedagon pagode in de voormalige hoofdstad Yangon, ook op de meest onmogelijke plekken hebben de Birmezen een tempel of klooster doen verrijzen.

Neem Taung Kalat, een vulkanische plug, een soort versteende magmaklomp naast Mount Popa, ten zuidoosten van Pagan, beroemd om het klooster dat bovenop deze ruim 730 meter hoge lavarots is gebouwd.

Of de Shwethalyaung Boeddha in Bago, met een lengte van vijfenvijftig meter het tweede grootste Boeddhabeeld ter wereld.

Het vereren van Boeddha moet de Birmezen behoeden voor een volgend leven als rat, of nog erger. Maar waarom op deze bizarre plekken, en in deze overdaad?

Orwell laat zijn personage U Po Kyin, een corrupte lokale magistraat, in Burmese Days wellicht het antwoord geven.

‘U Po Kyin,’ zei ze, ‘je hebt veel kwaad gedaan in je leven.’

U Po Kyin gebaarde met zijn hand. ‘Wat zou het? Met mijn pagodes maak ik alles weer goed. Er is nog tijd genoeg.
— George Orwell, Burmese Days
Wilke Martens.png

Wilke Martens is freelance reisjournalist en blogger. Met haar camera en laptop doorkruist ze Zuidoost-Azië per bus, vliegtuig en motor, op zoek naar de beste plekken om over te schrijven. Ze publiceerde onder meer in Metro en De Aziatische Tijger.  www.wilkemartens.nl

Google+