Aan het strand van Oostende

Hoe er in de Koningin der Badsteden een romance opbloeit tussen Joseph Roth en Irmgard Keun.

Als ‘een bevroren suikertaart’ zo omschreef de Duitse Irmgard Keun (1905 – 1982) het Casino-Kursaal, toen ze in het voorjaar van 1936 in Oostende neerstreek. De badstad was de eerste halte op haar vlucht uit nazi-Duitsland.

‘Toen de trein de grens passeerde, lag er achter mij een land en voor me een wereld,‘ zo heeft ze het opgetekend in haar autobiografische Bilder und Gedichte aus der Emigration. Vooral de weidsheid van de zee trok haar aan, want aan de kust worden gevoelens niet beklemmend, meer nog, angst en verdriet kunnen er in iets moois worden omgezet.

Een warm onthaal stond er haar in de harde, glasheldere lente van 1936 evenwel niet te wachten. Een zoute storm raasde langs de zeedijk, de grote hotels aan de promenade lagen nog half in winterslaap, net zoals het Casino-Kursaal, toentertijd nog het Moors aandoende feestpaleis met zijn koepels, minaretten, arcaden en galerijen.

Casino-Kursaal Oostende

Casino-Kursaal Oostende

In 1940 zou het op bevel van de Duitse bezetter worden afgebroken. Waar ooit de frivole parel van de belle époque schitterde, werd in 1943 een bunkercomplex met strategisch zicht op zee gebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog verrees het strakke, modernistische Casino-Kursaal met de halfronde uitbouw en de grote glazen gevel die de bocht van de zeedijk volgt.

Ook de tearooms met de kleine marmeren tafeltjes waren in het voorjaar van 1936 nog gesloten. Van houten strandcabines of mondaine kuuroordgasten was er geen spoor. Toch werd Irmgard Keun er betoverd door de vredige sfeer, zozeer zelfs dat dat het haar moeilijk viel om zich voor haar nieuwe roman, Nach Mitternacht, meteen weer onder te dompelen in het gekwelde Duitsland.

Na een paar weken was ze niettemin zover gevorderd dat ze de eerste dertig pagina’s klaar had. De schrijfster wordt als naïef en briljant getypeerd, als grappig en wanhopig, melancholiek en vurig. Dit wisselende temperament weerklinkt ook in de negentienjarige Sanna, de vertelster van Nach Mitternacht.

Door haar ogen zie je hoe het nazisme mede door Hitlers propagandamachine oprukt en hoe verraad en vervolging langzaam in alle geledingen van de Duitse maatschappij doordringen. Irmgard Keun liet het begin van haar roman lezen aan de sterreporter Egon Erwin Kisch, die met zijn echtgenote in een hotelletje in het duinenrijke Bredene verbleef, met de tram op twintig minuten van Oostende. Over Keuns eerste aanzet toonde Kisch zich alvast razend enthousiast.

Brasserie Du Parc

Het was door Kisch dat ze weinig later werd meegetroond naar de art-decobrasserie van Hotel Du Parc op het Marie-Joséplein, op een boogscheut van het Casino-Kursaal. Toen ze er met Kisch en zijn echtgenote in de schaduw onder de markies een aperitief zat te drinken, arriveerden er twee heren: Stefan Zweig, rijzig in een bleek pak, en Joseph Roth, klein en gebogen in een donker kostuum.

Een foto van de twee prijkt aan een muur van de brasserie, waar je kan genieten van een koffie in een zilveren filterkannetje. Irmgard Keuns eerste indruk was dat Roth in de komende uren van louter smart ging sterven, zoveel wanhoop las ze in zijn ogen. Later vervaagde dat gevoel, want Roths wezen mocht dan wel doortrokken zijn van eenzaamheid en verdriet, hij blonk tevens uit in het meesterlijk ventileren van zijn haat tegenover alles en iedereen.

Joseph Roth en Irmgard Keun worden als magneten naar elkaar toe gezogen: ‘Mijn huid zei meteen “Ja”,’ zou ze later op papier zetten.

Nochtans was Roth in het begin best wantrouwig, vooral omdat zij geen joodse was en omdat ze daarenboven zo lang had gewacht om Duitsland te verlaten. De voorraad van haar succesdebuut Gilgi, eine von uns werd al in de herfst van 1933 door de nazi’s vernietigd. De opvolger Het kunstzijden meisje (bij Van Gennep verschenen in 2005), weer een overrompelend relaas in een spreektalige en beeldrijke stijl, werd in 1935 in Duitsland uit de handel genomen.

De reden waarom Keun werd geviseerd? De door haar geportretteerde jonge, knappe, ambitieuze vrouwen die streefden naar onafhankelijkheid, waren te modern voor de nationaalsocialistische ideologie. Dat ook zijzelf weigerde om zomaar met zich te laten sollen, blijkt heel sterk uit de klacht die ze wegens inkomensderving heeft ingediend bij de Reichsschrifttumskammer nadat die haar werk naar de brandstapels had verwezen.

Verder praat ze tijdens die eerste ontmoeting met Roth over haar echtgenoot en over haar minnaar. Getrouwd is ze sinds 1932 met de drieëntwintig jaar oudere schrijver en theaterauteur Johannes Tralow. Van liefde is er echter geen sprake meer: zijn opportunistische houding tegenover het autoritaire regime botste met haar visie. De joods-Duitse arts Arnold Strauss werd haar minnaar en tevens haar geldschieter. Hij is naar de Verenigde Staten geëmigreerd en hoopt vurig dat zij gaat overkomen om met hem te trouwen. Maar van een huwelijk wil zij geenszins weten. Wel houdt ze hem vakkundig aan het lijntje.

Hôtel de la Couronne aan de oude vissershaven

Ook wanneer ze Roth, die al drieënhalf jaar niet meer in Duitsland was, vertelt hoe het er daar inmiddels aan toegaat, hangt hij aan haar lippen. En zij aan de zijne, want ook hij blijkt in het echte leven een even grote verteller als in zijn boeken Job en Radetzkymars.

Als een blok valt ze voor hem en binnen de kortste keren delen de twee een kamer in Hôtel de la Couronne, aan de Vindictivelaan 14, waar je nu een troosteloos gebouw vindt met op de begane grond een matrassenwinkel.

(c) Toerisme Oostende, Westtoer

(c) Toerisme Oostende, Westtoer

Ze hadden er uitzicht op de oude haven, waar vissers ’s morgens met hun netten in de weer waren en garnalen en langoustines uitstalden op wankele tafeltjes. De oude vissershaven van toen is nu nog louter een plezierhaven. Vandaag is die vooral bekend als de thuisbasis van de Mercator, een driemaster die sinds 1961 is ingericht als museumschip. Momenteel wordt het zeilschip gerenoveerd. Vermoedelijk duren de herstellingswerken tot april 2016.

In haar memoiretekst Bilder und Gedichte aus der Emigration zoomt Irmgard Keun in op enkele kleurrijke personeelsleden van Hôtel de la Couronne. Zo was er Madame Lorion, de bontgeschminkte toiletjuffrouw met de majestueuze, roestrode pruik. Zij had haar stek in de catacomben van het hotel en was vooral geïnteresseerd in astrologie. Haar onverschilligheid tegenover wat er in de wereld gebeurde, deelde ze met het kamermeisje Marguerite, dat als geen ander de kunst beheerste om muzikaal aan te kloppen.

Zowel met Madame Lorion als met Marguerite viel er alleen te praten over mannen en liefdesaangelegenheden, over politiek hoefde Irmgard Keun niet te beginnen. Daardoor leken de twee dames haar buiten de tijd te staan, net zoals de tweelingzussen die een apotheek in een afgelegen deel van de stad bestierden.

De schrijfster schatte hen om en bij de zeventig. Ze hadden vergeelde gezichtjes en grote blauwe ogen. Keun was op zoek geweest naar een slaapmiddel, toen ze een eerste keer bij hen aanwaaide. Ze kreeg een wit poeder mee. Het was het enige dat de tweeling verkocht, wit poeder tegen hoofdpijn, opstopping, diarree, eksterogen en reuma. Toch ging het nauwelijks over de toonbank, want klanten hadden ze amper: telkens wanneer Irmgard Keun er kwam, was ze er alleen.

Schrijfcafé aan het Wapenplein

Schrijven is de heilige plicht van een auteur in ballingschap, zo pepert Roth het haar meermaals in. In hun vaste bistro aan het Wapenplein houden ze dan ook een ware ‘schrijfolympiade’.

Zij werkt er aan een tafeltje bij het raam verder aan Nach Mitternacht, dat in 1937 bij Querido zal verschijnen. Dieper achterin, ver van de zon, zwoegt Roth aan Het valse gewicht, een beknopte roman die is doordrenkt van zijn heimwee naar de verloren wereld van de Habsburgse dubbelmonarchie.

Ze roepen elkaar geregeld iets toe over een inval en volgen met gezonde argwaan elkaars vorderingen. Vooral Roth schrijft onder tijdsdruk. Voortdurend groeien zijn schulden hem boven het hoofd, en tot overmaat van ramp heeft zijn Amerikaanse uitgever de samenwerking stopgezet, waardoor zijn krediet bij Amsterdamse uitgeverijen ook onder druk is komen te staan.

Allebei zijn Roth en Keun stevige drinkers. In een van haar brieven aan haar financier en minnaar in Amerika heeft Irmgard Keun het over het bier dat ze in België niet te drinken vindt, over de aperitieven die haar te zoet zijn en de sterkedrank die duur en bijna altijd waardeloos is. Eén tot twee flessen fatsoenlijke droge champagne zou je als schrijver dagelijks moeten kunnen drinken, vindt ze, zeker in de laatste rechte lijn naar een romaneinde.

Men moet gedachten aan het ineenstorten van een wereld, de komende zondvloed, oorlog enzovoort verdringen als men schrijven wil. Daar heeft men alcohol voor nodig. Het komt er alleen maar op aan goed en verstandig te drinken.
— Mark Schaevers, Oostende, de zomer van 1936, pag. 93

Irmgard Keun heeft het voor elkaar gekregen dat er in hun schrijfcafé ondanks het alcoholverbod toch geestrijke drank wordt geschonken. Wanneer Stefan Zweig hen er in de late namiddag vervoegt, zijn de sporen van hun alcoholverbruik steevast al verdoezeld. Zweig kan het namelijk niet aanzien hoe Roth zich de vernieling in drinkt.

Net omwille van het alcoholverbod had hij Roth voor de zomer naar Oostende gelokt. Met zijn secretaresse/minnares, Lotte Altmann, woont en werkt Zweig in de loggia van Maison Floréal, boven het hoekpand aan de zeedijk waar nu brasserie Le Bord d’Eau is gevestigd.

Oostende  (c) Toerisme Oostende, Westtoer

Oostende  (c) Toerisme Oostende, Westtoer

Roth zelf huiverde voor strandgenoegens. In zee zwemmen deed hij niet: vissen komen tenslotte ook niet op café, is zijn vaak geciteerde boutade. Stefan Zweig trok hem toch over de streep door Oostende voor te stellen als een echte stad, ‘caféhäuslicher’ dan Brussel. Huiselijker dan in een café of in een hotel, kan het in Roths ogen sowieso niet worden. Hij wil zich wel thuis voelen, maar niet thuis zijn. Een thuis kan je niet verlaten, een hotel wel. Hij wil kunnen komen en gaan. Meer over zijn kijk op het hotelbestaan lees je in Hotelmens, een reeks krantenreportages en brieven gebundeld door Els Snick, de bezielster van het Joseph Roth Genootschap.

Boekhandel Corman

Boekhandel Corman

Boekhandel Corman

Na de werkdag wordt er door het kruim van de Duitstalige exilschrijvers - onder anderen de immer opgewekte auteur-uitgever Hermann Kesten, de sterreporter Egon Erwin Kisch, de met het leven worstelende (toneel)schrijver Ernst Toller - op café geregeld een potje geroddeld, of gebakkeleid over de internationale actualiteit.

Vooral de Olympische Spelen in Berlijn en de Spaanse Burgeroorlog verhitten de gemoederen. De toestand in Spanje kwam dan ook erg dichtbij toen Mathieu Corman, uitgever, vertaler en oprichter van de gelijknamige Corman-boekhandel - destijds in de Adolf Buylstraat, nu in de Wittenonnentraat 38 - besloot om tegen Generaal Franco te gaan vechten. Dat de Olympische Spelen door Hitler werden aangegrepen om zijn antisemitische ideologie te maskeren, frustreerde de schrijvers allen mateloos.

Al bood Oostende ontspanning en vermaak, echte vreugde heerste er nooit onder de overzomerende emigranten. Allemaal zagen ze Europa immers afstevenen op de ondergang en voelden ze zich schuldig, omdat er niets was waarmee ze het oppermachtige kwaad konden tegengaan.

Bezoek Oostende

www.visitoostende.be

Meer lezen?

Hiltrud Häntzschel: Irmgard Keun

Rowohlt Taschenbuch Verlag, 2001, 158 pag., ISBN 3 499 50452 9

Mark Schaevers: Oostende, de zomer van 1936

Volker Weidermann: Zomer van de vriendschap; Oostende 1936

Katja Feremans is van opleiding vertaler Engels-Duits. Om de rust en de ruimte houdt ze van woestijnen, zoutmeren en zeegezichten. In het kielzog van vogelliefhebbers ging er evenwel een heel nieuwe wereld voor haar open. Verder pikt ze graag een vleugje cultuur mee tijdens een stedentrip. Ze recenseert voor Mappalibri en schrijft essays en verhalen


 

Google+